Onze grote avontuur in Thailand deel 2

Rijdend langs de prachtige kalksteenrotsen op onze trouwe gehuurde brommer met voor me het kleine behelmde hoofdje van mijn dochter, en op m’n borst geklemd de zachte handen van m’n vrouw was ik, zoals de volksmond zegt, de koning te rijk.

De tijdgeest gebiedt ons om in dergelijke omstandigheden te delven in onze ziel op zoek naar het aangekoekte residu van privilege – zeker wanneer we dezelfde huidskleur hebben als onderdrukkers van eeuwen terug of, vooruit, eergisteren. Maar kom op, laat het gedaan zijn met dat gekunstelde toontje, Choi, schrijf gewoon op wat je te zeggen hebt.

Het kost me nauwelijks moeite om de centen te verdienen die we hier in het tropische paradijs verbrassen. Het ‘werk’ dat ik doe is weliswaar volstrekt zinloos – o wat zou ik graag schrijven op een niveau waar de krant voor betaalt – maar neem weinig uren in beslag. En die uren moet u zich zo voorstellen: ik zit in mijn T-shirt en onderbroek achter een oude laptop waarop Engelstalige commerciële teksten staan, die ik razendsnel in houterig Nederlands omzet. Soms heeft de computer het al voorvertaald en ik scrol er dan gewoon een beetje doorheen. Naast me staat een kop hete oploskoffie (lokaal Thais merk) en tegen de muur loopt een gecko omhoog. Ik luister via oordopjes naar oude jazz of opzwepende Ghanese funk. Om te doen alsof ik langer bezig ben geweest met een tekst open ik een ander tabblad en geef een handvol mensen op Facebook van katoen, alvorens op de knop ‘Deliver project’ te klikken. Zo’n sessie resulteert uiteindelijk in een PayPal-transfer, waardoor wij ons eten kunnen kopen en de cirkel is rond.

Geen wonder dat ik me soms pijnlijk bewust word van ons privilege: onze buren (niet de Britse alfamannen met hun chagrijnige smoelen en veel te grote auto’s, maar het hardwerkende Thaise hotelpersoneel en de kleine boertjes) moeten de hele dag zwoegen voor hetzelfde bescheiden beetje geld. Er wordt hier in Krabi normaal gesproken ook goed verdiend want een kamer in een topresort kost al gauw 100 euro, maar de hotels stonden tijdens de coronacrisis drie maanden leeg. De regering springt bij met 5000 baht (150 €) en dat helpt een beetje, maar de middenstand heeft het hier zo zwaar te verduren dat dit ook voor Thaise begrippen een schijntje is.

Geld: het blijft een saai onderwerp, beste lezer, maar iemands inkomsten zeggen statistisch veel over iemands levensstijl. Ik las dat in het boek Factfulness van de wereldberoemde, en inmiddels helaas overleden, Zweedse arts Hans Rosling: zijn schoondochter heeft Dollar Street bedacht, een fictieve straat waarin mensen hun maandinkomen als huisnummer hebben. Interessant om te zien hoeveel onze levens wereldwijd op elkaar lijken wanneer we beschikken over een vergelijkbaar inkomen: de Mexicaan, Indiër of Zweed die $ 3000 verdient droomt van een royaal eigen huis.

Het was een van de boeken die ik las om ‘de pandemie door te komen’. Ik las ook Pieter Waterdrinkers autobiografische roman Tchaikovskystraat 40, een lijvig werk dat me regelmatig wist te boeien. Heerlijke avonturier die man, zou graag eens een pilsje met hem drinken.

Maar ik had beloofd om een stuk te schrijven over ons avontuur in Thailand. Over olifanten en slangen wilt u lezen, over ongerepte natuur en van de longtail-boten die aan een piekfijn strand liggen aangemeerd, uitdagend de diagonaal van zo’n kitscherige foto dominerend. Ja, het was er allemaal, op een steenworp afstand van waar wij woonden, maar geloof me, het kan met enkele zinnen worden afgedaan.

Miru had op een dag wel een onderonsje met een olifant, wiens logeerplek we hadden ontdekt tijdens een van onze strooptochten langs de prachtige kalksteenrotsen op de vertrouwde scooter. De Elephant Sanctuary leek, net als de rest van de toeristische trekpleisters, noodlijdend, maar we hoorden niemand klagen. De dikhuiden zelf stonden doodgemoedereerd op hun veldje.

Wat valt er verder nog te melden? We hebben ons huurhuisje begin juli verruild voor een leven on the road, dat we nog volhouden totdat we op 23 juli via Helsinki naar Nederland vliegen voor een bruiloft in de familie en omdat ik moet leuren met mijn poëzieboek ‘Tiktaalik’. De resorts zijn hier nu bijna leeg en spotgoedkoop, en we hebben besloten het er nog even goed van te nemen, zoals de volksmond zegt. Ik schrijf dit in de aangename Noord-Thaise stad Chiang Mai, terwijl Miru zich in het zwembad van ons resort met de klinkende naam “The Opium”, met de opblaasflamingo vermaakt.

We hadden de trein genomen via Bangkok naar Chiang Mai, in totaal toch zo’n duizend kilometer – voor onze kleine meid een uniek avontuur, voor ons zwelgen in nostalgie (o, die nachttreinen in Rusland, India, Italië…). In Bangkok een typische hostel-ervaring in de herberg fun, onder de rook van het aangenaam drukke kopstation. Er liep een man rond met melkboerenhondenhaar en een geplooid maar jongensachtig gezicht. Hij leek niet gesteld op gezelschap (we hebben een vooroordeel jegens eenzame mannen in Thaise hostels) maar ik wilde weten of hij, zoals ik uiteraard vermoedde, een Australiër was.
“Have a good day, mate!” riep ik. Zijn gezicht klaarde op. “Yeah, you too”.
Kijk zo doe je dat, dacht ik. Hebben we dat op z’n tijd niet allemaal nodig, vreemden die zich met onze zaken bemoeien? Dit soort dingen herinneren we ons als homo sapiens in ieder geval een stuk gemakkelijker dan de armaturen, de lampenkappen of de vloertegels waarmee zo’n herberg op ons een uitnodigende indruk probeert te maken.

Nadat we ons de volgende avond in de nachttrein hadden geïnstalleerd, rees het vermoeden dat de man op ligplaats 20 zichzelf vermaakte op een manier die bij de meeste mensapen wel, maar in onze cultuur doorgaans het daglicht niet kan verdragen. De man had dan ook zijn gordijntje nauwgezet gesloten. Maar, zo filosofeerden mijn vrouw en ik, het zou natuurlijk ook gewoon astma kunnen zijn. De arme man zou aan kortademigheid kunnen lijden – zouden wij even mooi voor paal staan als we het blauwe gordijntje open zouden rukken om hem volstrekt ongegrond de levieten te lezen over de kleine verboden geneugten! We onthielden ons derhalve van oordelen, al riep ik wel zo luid dat de man het moet hebben gehoord “make it quick, dude”.

En zo rolden wij, zoals de Engelse volksmond zegt, de volgende morgen Chiang Mai binnen. Wis en waarachtig had ik geen last meer van kiespijn, die snode nemesis van wat ik als mijn creativiteit beschouw. Enfin, ik laat het voorlopig hierbij. Tot over een paar weken, wanneer ik deo volente in de polder ben geland om daar een poosje van mijn vrijheid van meningsuiting te komen genieten terwijl ik op de fiets het landje doorkruis.

 

View this post on Instagram

 

Are we there yet? #worldtravel #thailand #tuktuk #waiting #아직멀었나 #엄마어디가 #태국 #세계여행 #아이와여행

A post shared by Miru Choi (@nomadbabymiru) on

Geef een reactie