Cursus gedichten verbeteren #43
Welkom terug bij de poëtische verbetercursus. Vandaag gaan we een gedicht maken over liefde en taal. Het uitgangspunt is eigenlijk geen gedicht, maar een samenraapsel van spitsvondigheden, een moeizaam ogend vers, een kastijding van de taal, een monstrum dat de lezer tergt. De grenzen van mijn taal zijn niet de grenzen van mijn liefde Woordverliefd versluip ik ...
falen
"Je hebt gefaald!" De woorden van mijn vader echoën in mijn beenderen. Het was maar een proefwerk, een onvoldoende slechts. Waarom moet de jongen zo gevoelig zijn? "Je hebt gefaald!" De stem is rauw, fysiek. Ik moet verdelgd worden. Ik ben degene geworden die altijd moet falen, de faalzuchtige. Ik heb mezelf ertoe gemaand, deze man lief te hebben, want dat is wat een beschaafde ziel doet. Vriendelijk was ik, jazeker, maar liefde voor iemand rust niet in vriendelijke gebaren. Liefde voor iemand woont in je eigen hart. Ik heb het daar niet kunnen aantreffen. Zie? Zie? Ik heb gefaald. Uit: Een gezellig boek, posthuum uitgegeven
Rituelen
gesprekken: naar welke school het nageslacht waar we samen oud gaan worden wat te doen in het geval je bent uitbehandeld en waar de graven zullen staan we hebben orkestreerd wat officieel de liefde heet smalltalk. Een eindeloze rij verkleiningen van ons. Small folks.
klein gedicht
Strijk mijn vlasbaard dwars strijk mijn glimlach met je vlakke hand op jouw hand, knik met je pupillen en neig je warme hals langs me opdat ik fluisteren kan wat zal blijven in mijn hart