Basisinkomen

Ik realiseerde me gisteren terloops dat ik in dit leven nooit meer echt gelukkig productief zal kunnen zijn. Zo’n boude bewering vereist natuurlijk een indringende en sluitende onderbouwing, daar het de toekomst betreft en wie weet win ik ooit nog de lotto of implanteert men in 2049 een apparaatje tegen mijn amygdala dat mijn geluk voor me regelt. Toch is het juist deze stelling die ik wens te verdedigen. Ik heb er, onder ons gezegd, niks mee te verliezen.

De pijn in mijn bek verdwijnt niet, ook niet na een dozijn tandartsen en alle denkbare behandelingen. Ik kan nu ook niet meer over iets anders schrijven maar wil tenminste mijn column in niemandsland blijven volhouden dus dwing mezelf tot reflecties over mijn droeve lot, een lot waar ik me in niet geringe mate voor schaam omdat het geen kanker of multiple sclerose betreft. Het bewustzijn dat geluk onmogelijk is, verschuift het perspectief in de richting van andere voorheen verwaarloosde, meer vruchtbare mogelijkheden. Ik ben eindelijk geen gelukszoeker meer.

Uiteraard vertelden sommige artsen me op voorzichtige wijze dat de oorzaak psychisch zou kunnen zijn. Nu heeft een aantal jaren terug iemand wiens privacy het verdient beschermt te worden mijn zelfontwerp als mens, mijn enige moment van zelfbeschikking over geld (geld is het enige van waarde in de kapitalistische dystopie en geld heeft voor mij alles kapot gemaakt), mijn investering in mijn eigen toekomst, als leugenachtig en vals betiteld omdat ik “mijn geld aan de negertjes gaf”. Het zou kunnen zijn dat dit me toen al mentaal heeft vernield en de reden waarom ik ondanks enige resterende intelligentie en scholing mezelf liever door het leven jaag als een zombie – met ingebeelde kiespijn.

Ik geloof niet zo zeer in deze hypothese, hoe poëtisch ze ook is. Ik geloof in een basisinkomen. Over dat onderwerp heb ik van alles gelezen en ik ken alle argumenten voor en tegen. Er wordt hevig over gediscussieerd; het dondert niet of je econoom bent of de sociologische experimenten hebt bestudeerd. Iedereen heeft het recht op zijn mening, die natuurlijk altijd in ultima ratio gaat over ons ‘mensbeeld’ en iedereen heeft recht op zijn eigen mensbeeld. Het zijn oeverloze discussies, gezeik over cijfers en feasibility, saaie stromanverbrandingen en ongenuanceerd napraten. Ik heb sowieso niet de kracht om op de details in te gaan; ik wil vertellen waarom ik zelf blij zou zijn met een basisinkomen.

Hoe langer ik mijn geld verdien (en ik ben een trouwe hondelul wat werken betreft) met volstrekt overbodige kutbaantjes die ik in creatievere tijden in navolging van David Graeber als bullshit jobs beschreef, terwijl mijn mond zweert en ik gespeend ben van iedere inspiratie, hoe minderwaardiger ik me voel. Nu is mijn bestaan en mijn bijdrage objectief gezien ook niet echt wat je noemt een aanwinst voor de mensheid, maar echt waardeloos is niemand. Ik ben een subjectieve zenuwbundel die de wereld ervaart, en dat lijkt me een goede basis van waarde (een betere dan het waardebegrip dat het kapitalisme impliciet en expliciet hanteert). Geef mij een basisinkomen; die kutbaantjes worden over tien jaar door een computer gedaan zoals al het ongeïnspireerde werk. Let op dat het belangrijke onderscheid geïnspireerd versus ongeïnspireerd werk is, en niet complex versus eenvoudig. Geef mij een basisinkomen en ik zal mijn gevoel van minderwaardigheid niet langer ontlenen aan zinloze bezigheden. Ik zal ook niet ineens ‘innovatief’ worden en me met frisse moed op zinvolle en ‘coole’ projecten storten, zoals de voorstanders het graag doen voorkomen. Ik zal in het gras gaan liggen, slechte gedichten schrijven, mijmeren – zodat ik op artistiek omkrullende wijze mijn inferioriteit kan aanvaarden.

Yuval Noah Harari denkt in zijn boek homo deus na over de nutteloze mensen van de toekomst, die met computerspellen en drugs een draaglijk bestaan moet worden beschoren. Laat voor mij de drugs en de computers achterwege. Ik zal blijven schrijven, juist ook zonder lezers omdat dit de absurditeit van de menselijke conditie deste beter benadert. Iets heel graag en veel doen zonder er goed in te zijn of dat ooit te worden: ik houd van die ironie. Ik wil lange, gitzwarte en schier onbegrijpelijke aanklachten schrijven tegen de prestatiemaatschappij. Begrijp me niet verkeerd: ik ben oneindig dankbaar dat ik er heb mogen zijn, dat ik een dochtertje heb mogen hebben, dat ik heb mogen kunnen schrijven, dat ik tot het einde mijn column in niemandsland mag bijhouden, zo goed als dat in verband met mijn langzaam afnemende intellectuele vermogens nog mogelijk is.

De gedachte dat bijna niemand dit leest, dat deze unieke stem ten onder gaat in een vloed van veel beter geschreven teksten op het diepe internet, schenkt een excentrieke vorm van troost. Het bewustzijn, bijna niemand te zijn en bijna niemand hoeven zijn. Is dat niet precies wat we met onvoorwaardelijkheid bedoelen? Is een onvoorwaardelijk basisinkomen dat ook voor depressievelingen geldt die zich er niet eens voor hoeven laten testen, niet de ultieme vorm van seculiere religie, tenminste vanuit het perspectief van de pauper? Niet bij de gratie gods, of welwillende donateurs, maar bij de gratie van de wet, leeft de kerkrat. Ik heb er natuurlijk niks van begrepen want de wet voorziet al lang dat je van armoede niet overlijdt. Wat me verblindt is mijn eigen bureaucratieallergie. Voorwaarden betekenen formulieren, ambtenaren, controle. De afwijking van de norm wordt gedocumenteerd, de pauper krijgt te maken met maatregelen, hij moet terug in het systeem worden gedwongen. Rechtvaardigheid betekent dat ‘in beginsel’ iedereen moet werken om te mogen eten. Ik gooi sinds meer dan tien jaar instinctief mijn rechter arm omhoog bij het horen van het begrip ‘werk’ en roep ‘Arbeit macht frei’. Het is daarom misschien ook maar beter dat ik niet ‘werk’ maar in de schaduwen overleef, waar de professionele klasse er geen last van heeft. Ik verzet me tegen dat truttige beginsel, dat helaas nog steeds de alternatiefloze morele ruggegraat van onze samenleving vormt. Zelfs een mens die op zijn rug in het gras ligt voegt waarde toe aan het bizarre kosmische circus waarin we zijn geboren.

Ik ben zo opgevoed dat ik nooit iets zal verlangen alleen maar ‘omdat je er recht op hebt’. Daarom zal ik doorgaan met zinloos werk om mijn kind te kunnen voeden. Liever eet ik uit een vuilbak dan dat ik in de bijstand ga. Ik haat het ‘systeem’ met een nauwelijks voorstelbare intensiteit, maar zweer er nooit geweld tegen te gebruiken. De vaststelling, dat geluk niet meer tot de mogelijkheden behoort, zal van mij geen activist maken voor het basisinkomen of een beter milieu of wat ook. Het zal me een melancholische, dommige, ironische, oneindig droeve dichter maken die zichzelf heeft afgeschreven maar blijft schrijven voor zijn eigen navel.

Geef een reactie