Eindhoven II

Gedwee zag ik de consumenten over het grijze plein lopen, dat dezelfde onbarmhartige industriële sfeer ademde die ik me herinnerde van het Eindhoven uit mijn studententijd, een stad die ik, op de campus van de universiteit na, altijd zorgvuldig wist te mijden. De binnenstad is een koopfabriek, een architectuurzonde in dienst van de verkoopcijfers van bedrijven als Sissy Boy en Douglas. Op het vaalgrijze plein achter het station dwong de norsheid van de betonnen elementen je de winkels in, die lokten met lieflijke reclames voor mierzoete parfums en wegwerpkleding. In een reusachtige stalen kolos lonkten nog meer geestloze consumptietempels naar het winkelpubliek, dat zich genoegzaam laafde aan de overdaad.

Ik was op zoek naar boekhandel Van Piere, en besloot ouderwets te weg aan een mens te vragen in plaats van mijn telefoon te raadplegen. Op het plein stond een oude man in zijn rolstoel geparkeerd op voldoende afstand van de HEMA, waar zijn dochter juist een boodschap deed.

“Dat weet ik niet meneer. De stad is zoveel veranderd!” zei hij.
“Ja”, beaamde ik, en voegde eraan toe dat ik maar liefst twintig jaar geleden in Eindhoven heb gestudeerd, om mezelf een zekere oudheid en solidariteit aan te meten.
– “En ik ben er 85 jaar geleden geboren”, antwoordde de man, wiens gezicht gesierd werd door net zo’n kek paarsrood brilletje als het mijne.

Ik keek de man vriendelijk aan en maakte een obligate opmerking over de twee vaccinaties die hij gezien zijn leeftijd al gehad zou moeten hebben. Hij had plezier in het kleine, ja onbenullige onderonsje: in mijn herinnering straalde zijn gezicht. Misschien ontstaat de heiligheid van zulke kleine momenten door het contrast met de individualistische mensen op het plein, die zich als een zielloze massa door de winkels lijken te persen om de behoeften te bevredigen waarvoor de reclame hem programmeert.

Nadenkend over de luttele oorsprong van mijn ontroering en het absurde contrast met de omgeving, begaf ik mij naar de boekenzaak, waarvan ik het adres alsnog op mijn mobiel had opgezocht. In het imposante souterrain trof ik een boekenverzameling aan die zich kan meten met de groten van Nederland. Eenkennig ging ik direct bij de poëzie kijken. Toen ik had postgevat voor de boekenkast met alfabetisch gesorteerde poëten, vervoegde zich een man bij me.

“Zoekt u een poëziebundel?” vroeg ik, in de veronderstelling dat het een klant betrof die ik met mijn poëziekennis als recensent een goede aanbeveling kon maken.
– “Uhm, nou…”
“Ik ben namelijk recensent voor Meander. Kent u dat blad?”
– “Ja, daar heb ik ook voor gerecenseerd. Dus jij bent Kamiel Choi?”
“Inderdaad.”
– “Nou, ik kom alleen maar even kijken of onze bundels er staan.”
“Mmm, ja.”
– “Normaal gesproken zou ik je een hand geven, maar nu doen we het maar even zo.”

De man tikte met zijn elleboog de mijne aan en ging zijns weegs.

Was het niet exact dezelfde zelfbevestiging waar het deze dichters om te doen is, als de ontaarden in de kooptempels? Is het niet van het grootste belang dat we de poëzie scheiden van de nijd en geldingsdrang eromheen? Is poëzie niet de nobele, en ijdele, poging om korte ontroeringen doorheen heel zorgvuldige woorden, universeel te maken?

Ik wandelde nog wat door de stad, langs een moskee en het lieflijke riviertje de Dommel, op zoek naar een tweedehandszaak, die gesloten bleek toen ik er arriveerde. Ik begon dus maar te zingen:

An electric breeze
My heart goes silent
And the world refers me
Back to the man

Geef een reactie