Ambassademuur Berlijn

Vanmorgen bevond ik mij in de Nederlandse ambassade om het formulier voor de verlenging van mijn paspoort in te dienen. Het wachtwoord van de wifi, die niet werkte, was “Lelystad” en op de blinde muur stond een gedicht van Hendrik Marsman, naar het Duits vertaald door Ard Posthuma, kennelijk een specialist op dat gebied. De vertaling inspireerde mij.

Dit is het origineel van Marsman:

Berlijn

De morgenlucht is een bezoedeld kleed
een bladzij met een ezelsoor
een vlek
de stad
een half ontverfde vrouw
maar schokkend steigert zij den hemel in
als een blauw paard van Marc in ’t luchtgareel

Berlijn

de zon is geel

Ard maakt dit ervan:

Berlin

Der Morgen ist ein besudeltes Kleid
eine Seite mit einem Eselsohr
ein Klecks
die Stadt
eine halb abgeschminkte Frau
doch zuckend bäumt sie sich in den Himmel
wie ein blaues Pferd von Marc im Luftgeschirr

Berlin

die Sonne gelb

Morgen in een prima verdichting van ‘morgenlucht’, het heerlijke bezoedelen is goddank thuis in beide talen, en Kleid is ook goed (sommige lezers wilden in de vertaling interpreteren en zoiets als ‘Tischtuch’ zetten).

Het beeld van de pagina met het ezelsoor is duidelijk.

De Klecks stoort. Het doet denken aan iemand die uitschiet met het lijmpistool of de slagroomspuit, terwijl de tengere Marsman vermoedelijk aan een inktvlek dacht op de beduimelde bladzijde met het ezelsoor.

Maar dan komt de magische regel in het Nederlands: ‘een half ontverfde vrouw’.

Ontverven‘ betekent volgens van Dale “Vooral met betrekking tot het menschelijk gelaat: van kleur berooven, bleek doen worden.”

Dit soort in onbruik geraakte woorden kun je tegenwoordig heel leuk googlen. We zien het dan terug bij Bilderdijk:
Wee, allen die door schrik ontverfd” en “o bloempjen, pas ontloken / Wat ligt ge ontverfd in ‘t gras

of Jacqueline van der Waals:

De zonne zond haar stralen uit
om d’aarde te vergouden,
Die, al te langen tijd verwaaid,
verregend en ontverfd,

De vertaling “abgeschminkt” is dus niet correct. De magie van de ‘ontverfde vrouw’ (ik dacht zelf aan de goudgeschilderde vrouw in Goldfinger, en associeerde dit met de gouden jaren twintig in Berlijn). Nu staat er gewoon een troela voor de spiegel haar make-up te verwijderen.

Het rijm op eind einde van het gedicht, waar Marsman extra witregels voor inruimt, is essentieel. Luchtgareel – geel vindiceren de stad door hun rijm. Ik weet niet waarom Ard het doodleuk afdoet als “ietwat raar”. Natuurlijk is het niet eenvoudig om het rijm én de betekenis in het Duits te bewaren, maar het ‘gelb’, ontdaan van zijn rijm, bungelt nu hulpeloos onder het gedicht.

We zouden ‘gelb’ kunnen vervangen door ‘gold’, en het laten rijmen op het verouderde ‘hold’ om iets van de geantiqueerdheid van het Nederlandse gedicht te bewaren. http://www.wort-suchen.de/woerterbuch/hold
Lucht. Paul Célan’s Todesfuge zou pas 23 jaar later worden geschreven, dus dat beeld moeten we verdringen. Blijft het blauwe paard uit 1911 van Franz Marc. Ik vind het leuk om daar de genitief te gebruiken en te spelen met Marx.

wie Marc’s blaue Pferd im Luftgeschirr, hold

Berlin

die Sonne ist gold

De ‘problemen’ die Ard hier constateert zijn ” een ietwat raar rijm(lichtgareel/geel) dat wel kon vervallen, dan een wat dubieuze ‘ontverfde vrouw’”. Precies (!) de twee plekken dus waarbij ik, kijkend naar het tweetalige poëem op de blinde muur, mijn hoofd bedachtzaam schudde.

Geef een reactie