Cursus gedichten verbeteren #89

Welkom bij een aflevering van deze cursus waarin we een ode behandelen die onaf in Tongriem 2 stond. De auteur kon en kan er niet over uit, zoals de volksmond zegt, hoe stilistisch zwak en inhoudelijk saai hij schreef. Bijkans rukte hij haren uit z’n hoofd! Wat is dat toch? Je denkt dat het zo eenvoudig is, een mooi gedicht schrijven, een ballade, een gezang dat keer op keer op keer kan worden gezongen en mooi blijft. Maar het is ontzettend lastig. De muzen moeten je bezoeken en bedwelmen, en als je eenmaal in die lyrische toestand verkeert moet je maar net het geluk hebben dat de juiste stijlmiddelen en versificatie zich aandient. Geluk. Niet nijd en bewondering past, wanneer iemand ánders iets prachtigs schrijft, maar deemoed en dank. Laat het resultaat van vandaag aanzet zijn tot beter!

Ode

toen je oor mijn slaapplaats was en we de dood groetten
als een bijkomstigheid met een glimlach zachter dan de dageraad,
toen we onbeholpen met vogelvingers wezen
naar de verhalen waarmee we elkaar voedden

en we deden alsof we nooit zouden vliegen
toen we nog leefden in de echo van verliefdheden
en de klanken voor ons zongen om te versterven
langs de vormen die we aan de dingen gaven

toen we baadden in rivieren zonder diepte
ons ingroeven in de naakte rode aarde omdat
we planetariërs waren, die het leven liefhadden
door zich in zijn natte oorsprong te wentelen

toen we iedere avond bellen bliezen van eros
en onverschrokkenheid en elkaar ontbeeldden
in opgebolde halfslaap, om te dansen op alle
klanken die we elkaar onophoudelijk beloofden

toen we eindeloos zoemden met de dronken
vliegen en je hand zweette in mijn hand want
we deden maar wat en we zeiden maar wat
en de tijd was een knipoog die ons opslokte

toen we huisden voor het aanbreken van alles
in de kruipruimte van het lot, bij kaarslicht
elkaar liefhadden en de dageraad riep da capo
in onze verliefde oren, tot we gingen slapen

toen we aan zee gingen luisteren naar de zee
om haar mee te delen dat de dood een bijkomstigheid is
een fooi die je geeft aan een vriendelijke ober
wanneer alles naar wens was

Er moet een liefdesverhaal verteld worden. Waarom herhaalt de auteur het woord ‘toen’? Moet het monotoon klinken, een stoomtrein die voortdendert? Dan moet de rest van het ritme wel meewerken. De beelden zijn concreet en soms mooi. Een woord als ‘ontbeeldden’ is te pretentieus en storend postmodern. we deden maar wat en we zeiden maar wat is niet erg sterk. Beeld je nu eens in in die scène. Het lijkt een postcoïtaal gebeuren te zijn. Moet er niet gerookt worden? In ieder geval kunnen we iets beters verzinnen dan zo’n clichématig beeld van de tijd als knipoog. Gadver!

Huizen in de kruipruimte van het lot mag van mij, maar werk het beeld beter uit. Het lot is een huis waar de kamers bezet zijn. Door wie? Waarom mag het stel niet gezien worden, waar zijn ze bang van? De zucht naar herhaling is ook weer zo’n cliché, en dan expliciet ‘verliefde’ schrijven. Sjemig, waar hebben we dit lor opgeduikeld? aan zee luisteren naar de zee. Niks mis mee, met zo’n regel, het begint op poëzie te lijken. Maar dan die pointe over de dood, om maar een sluitstuk te hebben. Kan het nog voorspelbaarder?

In plaats van die dood moeten we iets anders verzinnen. Wat wil deze ode nou bezi(n)gen? Dat die mooie tijd niet verloren is? Dat ze vooral in onze verbeelding voortbestaat? Het worden triviale gedachten wanneer we ze eenduidig formuleren. Hier geldt het onzekerheidsprincipe van de poëzie. We moeten het laten werken. De moed hebben om dingen uit ons onderbewuste op te schrijven zonder de censor erbij te halen. De woorden zichzelf laten zijn.

De stijl moet op de schop. De beelden moeten beter op elkaar aansluiten. We gaan het indikken. Ik introduceer een reeks meer – rivier – zee. Seks mag blijven, postcoïtus verdwijnt. Het einde wordt minder morbide.

Ode

toen we naast elkaar aan een meer zaten
met vogelvingers wezen naar het water
dat aan onze voeten rimpelde als verhalen

we leefden in de echo van ons oerbesluit
de ramen volmaakten met warme adem
en daarin onze namen schreven

we baadden in een rivier zonder diepte
ons ingroeven in de naakte rode aarde
omdat we planetariërs waren

we iedere avond bellen bliezen van eros
en onverschrokkenheid en in halfslaap
als lijven dansten in een laken

we maar bleven en de bijkomstigheden
in onze armen sloten, aan zee
gingen luisteren naar de zee

Commentaar is zoals iedere week verplicht. En ik ben ook benieuwd naar jullie odes. Non olet!

Geef een reactie