Kaufrausch

Een zwerende bek, ja lieve mensen het wordt oud nieuws, heeft me sinds meer dan een halfjaar niet kunnen verhinderen om iedere maandag een stuk te schrijven. Terugkijkend was het resultaat vaak tam en saai en als zodanig een welkome bevestiging van mijn ongeëvenaarde minderwaardigheidscomplex. De schrijverij van dit soort stukjes moet bloeden op papier zijn, zonder voorbedachte rade. Ik staar naar mijn tweedehands beeldscherm met de Ghanees-Duitse blues-zangeres Y’Akoto op mijn kop. Concentratie kan ik nauwelijks meer opbrengen, het nieuws interesseert me ook geen flikker.

Het onderwerp voor deze column, jongens wat ben ik blij gewoon Schrott te kunnen schrijven zonder dat er een of andere redacteur gaat lopen zeiken, heb ik vorige week bedacht toen ik over de vlooienmarkt hier in Seoul liep, een reusachtig open air spektakel van eindeloze rijen uitgestalde afdankertjes waar ik met relieuze ijver doorheen woelde op zoek naar gunstige spullen voor mijn uitzet (altijd een hekel aan dat woord gehad). Broeken, t-shirt, een microfoon, een gitaarversterker, whiteboards, stoelen, mixer, kussens, vitaminepilletjes, knuffeldieren, een viooltje, broodrooster, gewichten, petten, koffiezetapparaat. Ik kom in een soort kooprausch en wil zoveel mogelijk goede deals accumuleren. Ik werk met mijn ellebogen, zoals de anderen, om een passend kledingsstuk uit de stapel gekreukt textiel te trekken. Fanatisme neemt bezit van me. Ik zou een koopje kunnen laten liggen, of nog erger, 1000 won (een dollar) teveel betalen voor een tweedehands slimfit overhemd. In de metro zou ik me dan kapot ergeren aan mijn eigen ongeduld en het feit dat ik er weer ben ingetrapt.

Tenminste, ik voel de verleiding. In mijn doorluchtige wijsheid heb ik mezelf daar al lang geleden aan ontworsteld. Maar het gevoel is bekend: hebzucht. Ik schop graag tegen consumentisme, het kopen van nieuwe spullen die je niet echt nodig hebt (voor mij het kopen van nieuwe spullen überhaupt) en ben daarom gematigd staatsgevaarlijk (daarom, en niet omdat ik een vermiddelmatigde hypovolemische selfkicker ben, zo houd ik mezelf graag voor, zal het grotere publiek nooit van mijn bestaan vernemen). Ik trap met kinderlijke vreugde tegen de cultuur van nieuwe dingen. Al die mijnbouw met giftige chemicalieën, al die energie die wordt opgeslokt door productie en transport, de vreselijke arbeidsomstandigheden, de geestdodende concurrentie op ‘leven’ en dood van ontmenselijkte corporations, de miljarden aan advertenties die er ondertussen nodig zijn om mensen te overtuigen die dreigen voor zichzelf te gaan denken. Fuck. Je hebt al die rotzooi niet nodig. Ga in plaats daarvan gezellig naar een tweedehands markt en ontwikkel gezonde Schadenfreude wanneer de bedrijven die al die zooi produceren een voor een over de kop gaan.

Neveneffect is de teloorgang van de groei-economie en die (de teloorgang, niet de economie) juich ik uit volle borst toe. Dat is bewust ‘naïef’ in econometrisch opzicht en wellicht ook wat betreft de onmiddellijke consequenties in de vorm van maatschappelijke chaos (“eindelijk ‘s wat leven in de brouwerij hebben we sinds ’68 toch niet meer gehad verdomme”). Aan het dogma van de groei-economie is niet te tornen, het is het vleesgeworden woord van onze postchristelijke apartleving en fuck, dat is allemaal al duizend keer gezegd en ik hoor mijn eigen iele adolescentenstemmetje waar ik als Tom Waits had willen klinken (Romina met hele dikke tieten zegt ‘hallo’ in de rechterbenedenhoek van mijn beeldscherm. Ik ga haar negeren).

Niks. Onze lichamen moeten weer betere endogene drugs gaan produceren, dat we niet meer zijn aangewezen op die dealerscultuur. Vrijheid van het woord betekent ook niet bang zijn niet driftig woorden backspacen ze zijn allemaal even lelijk allemaal even mooi. Het is een soort Tantaluskwelling: beseffen dat je dom bent, dat je exact kunt benoemen welke intelligentie je mist maar dat je ook weet dat je die nooit kunt bereiken. Het gevoel de domheid te zijn die zichzelf van binnenuit bekijkt. Het is waarschijnlijk een van de vele manieren om met een pre-midlifecrisis om te gaan en het is adembenemend. Hoe meer moeite je doet hoe meer het op zwijgen gaat lijken. Zoiets, morbide en middelmatige stream-of-thought stukjes, tekstgedrochten waar geen fruitvlieg in kan wonen.

Geef een reactie