Vandaag verbeteren we een natuurgedicht. Het heet ‘de jager’ en heeft poëtisch goede, alhoewel triviale intenties.
De jager
overture van dik liesgras en
scheutende zuring langs de steigerpoten
aangetraagd door een te lage maanin het schijnsel ontluistert dor geruis
de rietvelden die het zicht verhalmen
wonderogen steken pijlrecht door het koude waterrakelings klatert het langs de lisdodde
waar de dieren schuilenin die mistige nacht flakkert het in jagersogen
de waterhoen maakt listig een salamander buit
hij zegeviert, en strekt zich voor de adelaar uit
Het verhaaltje is simpel: een waterhoen eet een salamander en wordt zelf door een adelaar buitgemaakt. Het komt hier aan op nauwkeurige beeldspraak die de beelden helpt oproepen. Onze eerste ingreep is het verwijderen van de lelijke, zinloze woorden ‘aangetraagd’ en ‘verhalmen’. Pijlrecht als samentrekking van pijlsnel en loodrecht is in orde. De ‘wonderogen’ zijn flauwekul, ‘dor geruis’ is onzin, de maan is nooit ’te laag’, dat het water koud is is niet relevant, ‘rakelings klateren’ is overbodig, het zegevieren slaat nergens op. Het woord ‘overture’ in de opening is zwak: de scène moet beter worden geschilderd.
er groeit dik liesgras en zuring langs de oever
bij een verlaten aanlegplaats
stil en traag, in het maanlicht
We moeten op rijm en ritme letten. plaats-traag-maan, zuring-licht, oeVer-verlaten. Is het genoeg om de woorden tot een poëtisch tafereel te verknopen? Voor het ritme van zo’n vrij vers zit er in onze jachtige tijd niks anders op dan het rustig hardop voor te lezen.
Het is belangrijk bij een dergelijk tafereel om het perspectief goed in de gaten te houden. Het ‘zicht’ en het ‘koude water’ of het sinterklaasachtige ‘dor geruis’ wijzen op een menselijke Beobachter. Het gedicht wordt sterker wanneer we adjectieven gebruiken die de ervaring van de dieren zelf beschrijven.
dichtbij de oever, op het kleine meer
steekt schiet een snavel pijlsnel in het riet
waar de kleine dieren schuilen
de waterhoen maakt een salamander buit
het wateroppervlak rimpelt nogde maan flakkert in zijn jagersogen
Het luistert heel nauwkeurig. Ik heb nooit geweten dat het zo nauwkeurig kan, en wie zegt mij dat ik het vandaag wel beheers? Zo is het eindeloze leed van de dichter: de kwaliteit van zijn woorden valt in een ‘dode hoek’ zodra hij op de bok van zijn dichterswagen klimt.
hij strekt zich voor de adelaar uit
Wanneer we deze korte dierengeschiedenis samenvoegen komen we vandaag tot dit resultaat:
de jager
er groeit dik liesgras en zuring langs de oever
bij een verlaten aanlegplaats
stil en traag, in het maanlichtdan beweegt zich iets in het kleine meer
een snavel schiet pijlsnel in het riet
daar waar de kleine dieren schuilende waterhoen maakt een salamander buit
op het water sterft de rimpelingen de maan verstilt in zijn jagersogen
daarna strekt hij zich voor de adelaar uit
De lelijke woordspelingen zijn weg, er is wat meer ‘aandacht’ aan het gedicht besteed. Ik heb er zelf genoeg van, maar wat zouden júllie hier nog aan veranderen? Kan het nauwkeuriger, ritmischer, spannender? Is er een ‘essentieel element’ weggelaten? Laat het weten in de commentaren, of reageer met een eigen natuurgedicht.