Een dag te vroeg

Genodigd voor een poëzievoordracht begaf ik mij vandaag naar het lieflijke Maassluis, waarbij ik een tussenstop in Rotterdam had ingelast om af te spreken met iemand uit het literaire circuit die ik ‘s anderendaags moreel had bijgestaan op Facebook. 

Die afspraak zou hebben plaatsgevonden in café Blij, maar omdat dit maandags gesloten bleek spraken we elkaar op een nabij terras. We wisselden minder roddel en achterklap uit dan gebruikelijk onder schrijvers, maar de onverbeterlijke charmeur en olijke flierefluiter Arthur van Amerongen, vrolijk loenzend op zijn sokkel in onze beider universa, kwam zijdelings ter sprake, net als de Franse Frauenschreck Michel Houellebecq en een handjevol Nederlandse vakbroeders van divers allooi. 

“Weten jullie al dat de belastingen nep zijn?” De lijzige stem was afkomstig van een vrolijk geklede vrouw die het op ons had gemunt. Ze wilde, en alleen ik ben verantwoordelijk voor deze woorden, forceren dat haar eigen overgang gepaard gaat met de overgang van de samenleving in algemene zin, naar een idylle waarin de mensheid zich heeft bevrijd van zichzelf.

Ik schudde mijn hoofd en mompelde “het zal wel.”

“Ik zie wel veel bewustzijn zitten hier “, deelde Eucalypta ons mede.

“Ja ja, we doen ons best.”

We spraken verder over dystopische romans en dat die veel relevanter en leuker zijn dan schrijversvakschoolromannetjes die met hun obligate anale, genitale en geweldsfixatie een erg late en fletse echo van Sigmund Freud zijn. Ik zei dat ik onlangs een debat had gezien over Huxley en Orwell, waarin de eerste werd gerehabiliteerd (de arme man was naar Amerika verhuisd en overleed op de dag dat JFK werd vermoord, zodat hem in Engeland relatieve vergetelheid ten deel was gevallen). Voor Huxley nam het op Will Self, de Britse Houellebecq die de kunst verstond met zijn excentriciteit te koketteren. Dat debat werd gewonnen door de aanhangers van Huxley: het is aannemelijker dat we kunstmatig in een soort coma worden gehouden met oxycontin en co. dan dat een Partij ons door martelingen doet toegeven dat twee plus twee vijf is. 

“En nog iets: al jullie rekeningen staan op naam van de staat. Weet je wat dat betekent? Nou? Ze zijn allemaal al betaald!”

Ik gaf mijn gesprekspartner een exemplaar van Tiktaalik en hij rekende de drankjes af. 

Terwijl ik de tijd tot mijn voordracht met een wandeling doodde, zoals de volksmond zegt, bekroop me een gevoel van neerslachtigheid, dat ik met wetenschappelijke fascinatie observeerde. Het werd waarschijnlijk veroorzaakt door een teveel aan cafeïne en een tekort aan vezels en vitaminen, maar het resultaat was wel een affect van de ziel. Die vermaledijde zinledigheid, vluchten de mensen daar soms voor? Voelen ze zich daardoor zo doorzien wanneer er echte vluchtelingen uit oorlogsgebieden aanspoelen? Zo mijmerend arriveerde ik in metrostation Coolhaven, met het simpele gedicht van Deelder dat we op een letter na de metro naar de hemel kunnen nemen.

Twintig minuten later zat in in Maassluis in een Grand Café en bestelde een tosti. 

“Ik moet zometeen in de P C Hooftlaan nummer zes zijn.”

“Nummer zes, dat zijn wij toch Jaap*?” 

“Jawel. Vanavond is er echter geen bijzondere bijeenkomst. Bedoelt u de dichtersavond?”

“Ja.” De ober had keurig u gezegd, maar ik weet niet wat de essentie van mijn oudheid is. De vilten hoed die ik bij de kringloop had gekocht, de zilveren lokken die daar bij de slapen onderuit steken, of meer in het algemeen mijn voorkomen en geantiqueerde manier van bewegen.

“Die is morgen meneer. Wilt u toch uw tosti nog?”

“Vanzelfsprekend. Die ga ik lekker oppeuzelen.”

“Zo mag ik het horen.”

Beduusd meldde ik mijn meldbaren dat ik de datum van mijn proclamatie had verbasterd, rekende de tosti af, zette mijn hoed op en keerde na een melancholisch rondje door de lieflijke binnenstad van Maassluis, onverrichterzake huiswaarts. 

Ja, ik had mij in de datum vergist. Een spijtig gegeven waarvan je het je als schrijver nochtans niet kunt permitteren het onverwerkt te laten. Nee, het moest het hart van een epistel worden. Dwalingen en dwaasheden van de taalfabrikant K. Choi.

Terug in Rotterdam stapte ik op het Eendrachtsplein uit de metro om de rest van de weg naar het hoofdstation te voet af te leggen. 

“Waar is het station?” vroeg ik aan twee donkere jongens, de een kalm, de ander agressief. Ik week achteruit toen de agressieve met zijn ongemaskerde gezicht te dicht bij mijn rood-wit geblokte mondkapje kwam. Zijn kompaan legde me uit welke uitgang ik moest nemen en ik tikte lichtelijk geschrokken tegen de rand van mijn hoed.

“Tu parles français?” vroeg het agressieve jong. 

“Oui bien sur. Ça va les mecs?” Onze wegen mogen elkaar bij gelegenheid in de krochten onder Rotjeknor kruisen, onze werelden zullen nooit samenvallen.

In de trein stelde ik een vroege versie van dit verslag op, waarbij me bij vlagen wat schwungvollere formuleringen invielen, omdat ik sinds enige tijd mijn nemesis kiespijn met een stalen vibrator van de firma Kruidvat in bedwang kan houden. 

Als ik zelf puissant rijk was, zou ik de jeremiade van een verlaat opbloeiende poëet ook links laten liggen, dacht ik bijvoorbeeld, en aanverwante flauwekul: appearance is everything & nog nooit kon je zo goed rijk worden door in je eigen gedachten te geloven.

Mijn gewaardeerde collega beunhaas in de letteren en meesterinterviewer Joris van Os zou deze gelegenheid aangrijpen voor een oproep om geld te sturen. Ik geef die imperatief een mercantilistische wending: koop mijn verzameling gedichten en ander mooi spul van de Cinnamon Bunch op www.kaneelfabriek.nl/winkel. 

Geef een reactie